Identificatie van de overtreder bij verkeersovertredingen

Het gebeurt regelmatig dat een gedagvaarde partij voor de politierechtbank betwist dat hij of zij de chauffeur was van het motorvoertuig waarmee een verkeersovertreding werd begaan. Bij de identificatie van de overtreder moeten er verschillende hypotheses onderscheiden worden. 

Identificatie ter plaatse
Wanneer de verbalisanten iemand een verkeersovertreding zien begaan en de bestuurder van het motorvoertuig ter plaatse hebben onderschept en geïdentificeerd, bestaat er uiteraard absolute zekerheid over de identiteit  van deze bestuurder. Deze vaststellingen zullen dan ook niet betwist kunnen worden voor de politierechtbank. De vaststellingen van de verbalisanten genieten immers een bijzondere bewijswaarde.

Natuurlijke houder van kentekenplaat
Meestal noteren de verbalisanten bij het vaststellen van een overtreding enkel de nummerplaat van het motorvoertuig of wordt de verkeersovertreding vastgesteld door een onbemande camera, waardoor de eigenlijke bestuurder niet werd geïdentificeerd.

In dat geval staat niet vast wie de natuurlijke persoon is die bij het vaststellen van de overtreding het voertuig heeft bestuurd.

In dergelijke situaties bepaalt de wet dat wordt vermoed dat deze overtreding is begaan door de natuurlijke persoon die de houder is van de kentekenplaat van het voertuig. De houder van de kentekenplaat kan dit vermoeden evenwel weerleggen door met elk middel te bewijzen dat hij niet de bestuurder was op het ogenblik van de feiten. Zo kan het zijn dat hij zijn motorvoertuig heeft uitgeleend aan een kennis en dat die kennis de verkeersovertreding heeft begaan. In dat geval is hij verplicht om de identiteit van de ‘onmiskenbare’ bestuurder kenbaar te maken, behalve wanneer hij diefstal, fraude of overmacht kan bewijzen.

Voertuig ingeschreven op naam van een rechtspersoon
De overtreding kan ook begaan zijn met een motorvoertuig dat is ingeschreven op naam van een rechtspersoon. 

Wanneer de bestuurder bij de vaststelling van de overtreding niet werd geïdentificeerd, is de rechtspersoon of de natuurlijke persoon die de rechtspersoon in rechte vertegenwoordigt, verplicht om de identiteit van de ‘onmiskenbare’ bestuurder op het moment van de feiten of, indien zij die niet kennen, de identiteit van de persoon die verantwoordelijk is voor het voertuig mee te delen. Deze verplichting geldt opnieuw niet wanneer ze diefstal, fraude of overmacht kunnen bewijzen.

Deze mededeling moet gebeuren binnen een termijn van vijftien dagen, te rekenen vanaf de datum waarop het proces-verbaal met de vraag om inlichtingen is verstuurd.

Als de persoon die verantwoordelijk is voor het voertuig niet de bestuurder was op het ogenblik van de feiten moet hij eveneens, op dezelfde wijze als hierboven vermeld, de identiteit van de ‘onmiskenbare’ bestuurder meedelen.

De rechtspersoon of de natuurlijke persoon die de rechtspersoon in rechte vertegenwoordigt als houder van de kentekenplaat of als houder van het voertuig, is verplicht om de nodige maatregelen te nemen om aan deze richtlijn te voldoen.  Wanneer deze verplichting niet correct wordt nageleefd, wordt aangenomen dat de benodigde maatregelen niet genomen zijn.

Zelfs als het proces-verbaal vermeldt dat er in geval van niet-betwisting een onmiddellijke inning zal worden aangeboden, schort dit deze verplichting niet op.  Het inlichtingenformulier moet dus steeds worden teruggestuurd.

De vennootschap of haar bestuurder die deze verplichting niet correct naleeft, riskeert een strenge  bestraffing door de politierechtbank – lees: een  gevangenisstraf van vijftien dagen tot zes maanden en/of een geldboete van 200 euro tot 4.000 euro . De politierechtbank zal slechts uitzonderlijk een gevangenisstraf opleggen, maar de geldboetes zijn steeds pittig.

Deze straffen worden bovendien verdubbeld bij herhaling binnen een termijn van drie jaar, te rekenen vanaf de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan.

De wetgever voorziet in deze bestraffing echter geen rijverval, wat dan weer een zegen kan zijn. De bestuurder van een vennootschap zou er dus voor kunnen opteren om deze verplichting niet na te komen als hiermee maar een rijverval  wordt vermeden.  De boete voor het niet naleven van de verplichting wordt dan met de glimlach betaald.

Maar het niet naleven van deze verplichting heeft uiteraard niet steeds te maken met kwaad opzet. Het proces-verbaal met vraag tot inlichtingen kan binnen de vennootschap administratief niet correct zijn opgevolgd, zonder dat er sprake is van slechte bedoelingen. Of het inlichtingenformulier is misschien niet teruggestuurd omdat de overtreding niet wordt betwist, maar de latere onmiddellijke inning is ook niet betaald. 

Wat de reden van het verzuim ook is: het is steeds de vennootschap en/of haar bestuurder die strafrechterlijk zal worden vervolgd voor de politierechtbank.

Bovendien zijn hardleerse recidivisten er toch aan voor de moeite, want wie binnen de drie jaar vóór een overtreding al driemaal werd veroordeeld wegens verkeersinbreuken, kan op vordering van het parket door de rechter worden veroordeeld tot een rijverval van minstens acht dagen en hoogstens vijf jaar, en in zeer uitzonderlijke gevallen zelfs voor een periode van meer dan vijf jaar of levenslang.

Kruispuntbank Voertuigen
De vennootschap kan een eventuele veroordeling vermijden door de gebruikelijke bestuurder van het voertuig eveneens in de Kruispuntbank Voertuigen te laten registreren.

De verbalisanten kunnen de identiteit van de gebruikelijke bestuurder dan raadplegen in deze databank.

Deze gebruikelijke bestuurder wordt gelijkgesteld met de houder van de kentekenplaat, waardoor een strafrechterlijke vervolging tegen de vennootschap en/of haar bestuurder steeds wordt vermeden.   

Het proces-verbaal zal dan immers rechtstreeks naar de betrokkene worden verstuurd.  

Tekst Johan Van Hooreweghe, advocaat-vennoot B-Law advocatenkantoor     |    Beeld Kurt Desplenter
Uitgelichte afbeelding: 
Van links naar rechts : Mr. Koen Vande Walle, Mr. Luc Delacourt, Mr. Johan Van Hooreweghe.