Biometrische toegangscontrole is al lang geen curiosum meer. Vingerafdrukscanners en irisherkenning vonden de voorbije jaren reeds hun weg naar tal van kantoorgebouwen, luchthavens, datacenters … Toch zijn deze schijnbaar ultrabetrouwbare beveiligingsmethodes niet 100 % waterdicht, aangezien ze vertrekken van een visueel en – theoretisch gezien – reproduceerbaar kenmerk. Hoe vernuftig mensen met kwade bedoelingen ook te werk moeten gaan om ze te omzeilen: misbruik is niet volledig uit te sluiten. Vandaar dat er volop wordt ingezet op de ontwikkeling van biometrische technieken die nog een stuk verder gaan. Met als achterliggende gedachte: niet wat je toont, maar wie je echt bent is van belang …
Zij die weleens op de Corda Campus in Hasselt vertoeven zijn het misschien al gewend, maar voor velen onder ons zal de toegangscontrole er pure toekomstmuziek lijken. Ze is namelijk gebaseerd op een infraroodscan van de bloed- en zenuwbanen aan de binnenzijde van de handpalm, die via 3D en driehoeksmeetkunde van 5 miljoen referentiepunten vertaald wordt naar een unieke identificatiesleutel. Waar de meeste herkenningssystemen focussen op uiterlijke fysieke kenmerken en dus per definitie aan het oppervlak blijven, gaat dit innovatieve concept letterlijk in de diepte om iemands identiteit te verifiëren. Ultraveilig, razendsnel, contactloos en ook nog eens hygiënisch! Vandaar dat er nu tevens een proefproject loopt om mensen te laten betalen met enkel en alleen hun handpalm, wat op grote sites of massa-events zoals festivals en concerten weleens een echte gamechanger zou kunnen worden.

Het is een verhaal dat past binnen een bredere trend: vasculaire biometrie. Ook aderherkenning in vingers of de pols wint terrein, vooral in omgevingen waar veiligheid de allerhoogste prioriteit is – laboratoria, zorginstellingen, militaire basissen, kritieke infrastructuur … Omdat de infraroodscanner interne patronen leest, stijgt de weerstand tegen spoofing. Een andere veelbelovende innovatie is geavanceerde gezichtsherkenning met zogenaamde ‘liveness detection’. Deze vertrekt van een 3D-gezichtsscan met dieptemeting, gecombineerd met de detectie van microbewegingen (knipperen, huidtextuur, lichaamswarmte …). Nog subtieler is gedragsbiometrie. Identificatie gebeurt dan op basis van bijvoorbeeld loopstijl of bewegingspatronen. Zelfs hartslag- of ECG-biometrie duikt op in onderzoeksomgevingen. De elektrische signatuur van het hart blijkt immers even uniek als een vingerafdruk. En wie weet gaan we in de toekomst wel naar DNA-matching via speeksel- of huidcellen?
Wat veel van deze (potentiële) nieuwe ontwikkelingen gemeen hebben, is hun multimodale karakter. De toekomst van toegangscontrole schuilt eerder in een combinatie van verschillende methodes dan in één sluitende technologie, zij het zonder de gebruiksvriendelijkheid uit het oog te verliezen. Dergelijke systemen moeten gebouwen en omgevingen immers niet enkel veiliger, maar ook vlotter toegankelijk maken. Vandaar dat ze bij voorkeur onzichtbaar en contact- of zelfs frictieloos zijn.

Dit alles klinkt echter eenvoudiger dan het in werkelijkheid is, want er zijn ook kanttekeningen. De achterliggende technische complexiteit is enorm en brengt enkele belangrijke vraagstukken met zich mee (zware IT-infrastructuur, integratie met bestaande toegangscontrolesystemen, brandveiligheid, evacuatieprocedures, scenario’s bij stroomuitval of netwerkproblemen …). Daarnaast is waterdichte cyberveiligheid cruciaal, want datalekken kunnen desastreuze gevolgen hebben. Een wachtwoord kan je veranderen, maar een handpalm- of aderscan uiteraard niet. En tot slot is er de menselijke factor: het mag allemaal niet te intrusief aanvoelen, want dan dreigt er weerstand en aversie.
Of en in welke mate we bovenstaande innovaties ook in de praktijk zullen terugzien, valt dus nog af te wachten. Maar wat nu al zeker lijkt, is dat toegangscontrole in de toekomst veel meer zal inhouden dan het installeren van een eenvoudige lezer of scanner naast de deur. Geavanceerde biometrie heeft een rechtstreekse impact op het ontwerp en de latere exploitatie (circulatieconcepten, inkomzones, datanetwerken, technische ruimtes …). Wie vandaag nadenkt over toekomstgerichte projecten, doet er dan ook goed aan om het niet als een gadget te beschouwen, maar als een volwaardig onderdeel van het gebouw- of omgevingsconcept.