Insiders zullen het volmondig beamen: in Genk valt altijd wel wat te beleven, zeker ook in bouwopzicht. Weinig Limburgse steden die sinds de eeuwwisseling zo’n metamorfose hebben doorgemaakt. Hoe heeft Genk zich de voorbije kwarteeuw ontwikkeld tot de dynamische centrumstad die ze vandaag is? Wat prijkt vandaag bovenaan de stedelijke to-dolijst? En hoe ziet het Genkse gebouwpatrimonium er idealiter over tien à vijftien jaar uit? We vroegen het aan afdelingshoofd Bouw & Infrastructuur Philippe Gelders, die het allemaal vanop de eerste rij heeft zien gebeuren en ook de komende jaren mee aan het stuur zit. “Hoewel we deze dagen de broeksriem moeten aanhalen en keuzes moeten maken, staat er nog heel wat te gebeuren in onze mooie stad.”
En of zijn dagen meer dan aardig gevuld zijn. Samen met een twaalftal medewerkers volgt Philippe Gelders de projecten die aannemers in opdracht van Groep Genk (het samenwerkingsverband tussen de stad, het OCMW en het Autonoom Gemeentebedrijf, red.) realiseren van nabij op. Dit op het vlak van ontwerp, uitvoering, budget, planologie, terugkoppeling met het beleid enzovoort. “We hebben een portefeuille aan werken die we jaarlijks moeten realiseren”, legt hij uit. “Bepaalde infrastructuurprojecten leiden we zelf volledig in goede banen, maar voor bouwprojecten werken we steevast samen met externe architecten- en studiebureaus, gekoppeld aan dagelijkse opvolging en begeleiding van onze kant. Met een hechte groep van interne ingenieurs, tekenaars, werftoezichters en administratief personeel weten we de klus telkens weer te klaren.”

U bent gestart in 2000 en intussen dus meer dan een kwarteeuw aan boord. Hoe is de bouwdynamiek in Genk in die periode geëvolueerd?
Philippe Gelders: “In mijn beginjaren lag de focus vooral op centrumontwikkeling. Er zijn toen een aantal functies en voorzieningen toegevoegd die een waardevolle aanvulling vormden voor het nog niet al te goed uitgebouwde en verdichte stadsweefsel, zoals de bibliotheek en het jeugdcentrum. Gelijktijdig heeft een private partner de volledige winkelas uitgebouwd – een van de eerste PPS’en in Vlaanderen.”
“Nadien verschoof de aandacht grotendeels naar de (her)ontwikkeling van de oude mijnsite in Winterslag, die werd omgedoopt tot C-mine. Vanaf 2008-2009 zijn daar de eerste concrete (herbestemmings)projecten gerealiseerd, te beginnen met een grote ondergrondse parkeergarage, de Euroscoop-cinema en het cultuurcentrum. Ieder jaar hadden we op die site één of twee grote dossiers die in uitvoering gingen, en dat zes à zeven jaar lang.”

“Na de realisatie van bedrijfscampus C-mine Crib – het laatste project in de rij – hebben we de oude mijnsite in Waterschei omgetoverd tot Thor Park, inclusief EnergyVille (innovatiehotspot voor duurzame energie, red.) en eventlocatie Thor Central. Ook los van de mijnsites hebben we overigens niet stilgezeten, want simultaan hebben we het stedelijk zwembad gerenoveerd, het sportcentrum uitgebreid, verschillende utilitaire gebouwen aangepakt en Welzijnscampus Portavida volledig uitgebouwd. Ik heb dus wel een en ander zien veranderen in de tijd dat ik hier afdelingshoofd ben.”
Wat zijn vandaag de voornaamste prioriteiten? Zijn er zaken waar nu meer of minder nadruk op ligt dan in het verleden?

“Op dit ogenblik ligt de grootste bouwfase achter ons. We hebben de voorbije 25 jaar heel wat voorzieningen gerealiseerd die Genk als centrumstad nog niet of te weinig had. Maar we moeten er niet flauw over doen: vandaag moeten wij net als heel wat andere Vlaamse steden en gemeenten de broeksriem aanhalen. Het investeringstempo van weleer kunnen we niet langer handhaven omdat het budgettair simpelweg niet meer lukt. En dus moeten we keuzes maken. Zo zijn we aan het nadenken over een strategisch vastgoedactieplan om te bekijken of we ons patrimonium kunnen optimaliseren en of het opportuun is om eventueel bepaalde eigendommen van de hand te doen of voorzieningen te sluiten. De verplichting om de komende jaren flink te verduurzamen speelt in dit opzicht natuurlijk een belangrijke rol.”
“Hoe dan ook zal het accent (nog) meer verschuiven naar renovatie. Zo hopen we volgende legislatuur ons stadhuis een opknapbeurt te kunnen geven. Ook de voormalige Regina Mundi-site hopen we op termijn te kunnen herontwikkelen en er zijn uiteraard nog altijd plannen om onze stationsomgeving aan te pakken, zowel infrastructureel als qua verdichting van de omliggende bebouwing. Al verlopen deze laatste twee dossiers behoorlijk moeizaam gezien de specifieke context en de vele stakeholders.”

“Een nieuwbouwproject dat deze legislatuur wel nog voorzien is – en dat in zekere zin dus de uitzondering op de regel vormt – is de opwaardering van het dierenasiel. De aftandse gebouwen maken er plaats voor een hedendaags geheel. Daarnaast zijn er nog middelen vrijgemaakt voor de energetische make-over van het onthaalgebouw van natuur- en recreatiegebied Kattevennen. Voor het overige zijn de beschikbare budgetten echter grotendeels gereserveerd voor de uitbouw en het onderhoud van de stedelijke infrastructuur, waar meer verplichtingen en urgente ingrepen bij komen kijken. Als er dringend een overstort gesaneerd moet worden, kunnen we daar natuurlijk niet mee wachten. Daardoor verzeilt ons gebouwpatrimonium soms even op het tweede plan.”
Waar hoopt u dat Genk binnen tien à vijftien jaar staat in bouwopzicht? Wat mag er tegen dan veranderd zijn ten opzichte van nu?

“Het klimaataspect plaatst ons voor een gigantische uitdaging, zowel op het vlak van mitigatie als adaptatie. Hoewel we ook veel groen hebben (denk onder meer aan het Stadsbos, de Melberg, het Molenvijverpark …, red.) is Genk toch nog altijd een van de meest verharde centrumsteden van Vlaanderen. Daardoor worstelen we met droogte en wateroverlast. Met de herinrichting en vergroening van de Evence Coppéelaan en de ontharding van de Grote Markt en het Sint-Martinusplein hebben we de toon alvast gezet. Daarnaast kunnen ook groendaken helpen om het hitte-eilandeffect in het centrum te temperen en overtollig regenwater vast te houden. We hopen dat deze principes over tien à vijftien jaar zoveel mogelijk doorgetrokken zijn in al onze (deel)gemeentes en dat ze ook effectief het verschil beginnen maken.”
“Een tweede grote doelstelling is – zoals eerder aangegeven – de verduurzaming van ons gebouwpatrimonium. Lees: de gebouwen die we beheren en willen behouden, moeten we (opnieuw) opwaarderen op het vlak van energie-efficiëntie, gebruikerscomfort en algemene duurzaamheid. Ik zie ons alleszins niet zo gauw nog veel nieuwe gebouwen optrekken, al wil dat uiteraard niet zeggen dat we nu op een lager pitje zullen opereren. We blijven ons maximaal inspannen om – conform de budgettaire realiteit en het hedendaagse beleidskader – het potentieel van Genk als centrumstad optimaal te verzilveren. Dit zal anno 2040 ongetwijfeld zijn vruchten hebben afgeworpen.”